Loading...

Symposia

Symposia 2018-04-05T14:10:01+00:00

fusion_builder_container hundred_percent=”yes” equal_height_columns=”no” hide_on_mobile=”small-visibility,medium-visibility,large-visibility” background_color=”rgba(255,255,255,0.25)” background_position=”center center” background_repeat=”no-repeat” fade=”no” background_parallax=”none” enable_mobile=”no” video_loop=”yes” video_mute=”yes” border_style=”solid”]

Symposium ‘Omkering van bewijslast’

Studiekring Normatieve Uitleg

27 oktober 2017, World Port Center, Rotterdam
13.00 – 17.00 uur

Programma

  • 13.00               Ontvangst
  • 13.30               Opening Symposium door de voorzitter, Prof.mr. J.M van Dunné
  • 13.35               prof. mr. W.D.H. Asser, “Het bewijsvermoeden, in relatie tot omkering van bewijslast”
  • 14.05               mr. A. Hammerstein, “De omkeringsregel en de taak van de rechter”
  • 14.35               Discussie
  • 15.00               –   Pauze   –
  • 15.20               prof. mr. J.M. van Dunné, “De toepassing van omkering van bewijslast bij gaswinning in Groningen in wet en praktijk”
  • 15.50               Discussie
  • 16.05               mr. R.J.P. Kottenhagen, “Informed consent en bewijsnood: van paternalisme naar patiënt autonomie, UK Supreme Court 2015”
  • 16.35               Discussie
  • 16.50               Algemene discussie
  • 17.00               Afsluiting Symposium door de voorziter & Borrel

Aanmelding: j.a.i.wendt@kpnmail.nl, secretaris

Personalia

  • Prof.mr. W.D.H. Asser is hoogleraar Burgerlijk procesrecht, RU Leiden, en oud-AG bij de Hoge Raad
  • Mr. A. Hammerstein is oud-raadsheer Hoge Raad
  • Prof.mr. J.M. van Dunné is emeritus hoogleraar Burgerlijk recht, Handelsrecht en Burgerlijk procesrecht, EUR
  • Mr. R.J.P. Kottenhagen is Universitair hoofddocent Gezondheidsrecht, Erasmus School of Law, EUR.

Toelichting
In het bewijs- en procesrecht kan sinds jaar en dag de moeilijke positie van een eiser in een procedure verlicht worden doordat de rechter gebruik maakt van een ‘bewijsvermoeden’ dat hem de mogelijkheid biedt om de bewijslast om te keren en de gedaagde daarmee te belasten. Dat kon altijd al als gebaseerd op de feiten, indien deze van algemene bekendheid waren of ‘notore feiten’: “bij regen of vorst is het wegdek glad, en daarmee de remweg langer”. Feiten kunnen dus voor zich spreken, hetgeen Veegens in 1946 “sprekende feiten” noemde, geïnspireerd door het beginsel res ipsa loquitur uit de Common law.

Steeds speelde daarbij op de achtergrond de bewijsnood van de eiser mee, zijn informatie-achterstand ten opzichte van de gedaagde partij (schade-veroorzaker) en in toenemende mate ook de aansprakelijkheidsvraag in de specifieke verhouding tussen partijen, de risico’s die genomen werden en het gevaar dat gecreëerd werd voor personen die daaraan blootgesteld werden. Die situatie kan zich binnen en buiten contract voordoen, tegenover personen die variëren van de patiënt die een operatie ondergaat tot de tegenligger in het verkeer. Aldus ontstond in de afgelopen decennia in de jurisprudentie een figuur die de naam “omkeringsregel” ging dragen. Een regel die de nodige reuring veroorzaakte en in sommige kringen grote weerstand opriep, in andere daarentegen een aanvaarding kreeg als ‘nieuwe wijn in oude zakken’.

Al met al is dit een rechtsfiguur die zich goed ervoor leent om in een symposium eens tegen het licht gehouden te worden. Een licht waaraan ook het regime van art. 150 Rv (bijzondere regel en bewijslastverdeling naar redelijkheid en billlijkheid) bijdraagt, en sinds 2002: art. 21 Rv (waarheidsplicht) juncto de artt. 111, lid 3 en 128, lid 5 Rv (verplichting tot medewerking aan de bewijsvoering van de wederpartij). Hierbij zullen ook twee klassieke toepassingsgebieden van de omkeringsregel aan de orde komen: aansprakelijkheid voor mijnbouwschade en voor medische fouten. Aktueel zijn hierbij, rspectievelijk, het bij wijziging van de Mijnbouwwet op 1 januari 2017 ingevoerde art. 6:177a BW en een uitspraak van de Engelse Supreme Court uit 2015, vergeleken met rechtspraak van het Europese Hof.

Locatie
Dit symposium wordt mogelijk gemaakt door het Havenbedrijf Rotterdam N.V. (in de persoon van Frans van Zoelen, hoofd Legal). Het Havenbedrijf houdt kantoor in het World Port Center te Rotterdam (Adres: Wilhelminakade 909), alwaar het symposium zal plaatsvinden. (Betaald) parkeren is mogelijk onder dit gebouw of op de omliggende parkeerplaatsen.

Eventuele opleidingspunten dienen door advocaten zelf bij de Orde aangevraagd te worden, de studiekring voorziet desgevraagd in een verklaring van aanwezigheid.

Inleidingen door: prof. mr. W.D.H. Asser, prof. mr. J.M. van Dunné, mr. A. Hammerstein
Vrijdagmiddag 27 oktober 2017, aanvang 13.00 uur
Locatie: Rotterdam, World Port Center
Aanmelden: Stuur een e-mail naar mr. J.A.I. Wendt

Update: 13 november 2017

Wij zien inmiddels terug op een geslaagd symposium op 27 oktober 2017. Hieronder treft u de (gecorrigeerde) schriftelijke bijdragen aan dit symposium van de verschillende sprekers. Daarbij als achtergrond nog het NJB-artikel van Van Dunné uit 2016 alsmede een gedeelte uit het Advies aan de NCG van Hammerstein, Asser en Van de Bunt. Het gehele advies is hier te vinden.

Asser, Bewijsvermoeden en omkering bewijslast
Kottenhagen, Informed consent en bewijsnood
Hammerstein, Asser, Van de Bunt, Advies aan NCG e.a., par. 5.2 
Hammerstein, Studiekring normatieve uitleg Rotterdam
Van Dunné, Inleiding Omkering bewijslast
Van Dunné, NJB 2016-40 p.2975-79 Wet bewijsvermoeden gaswinning Groningen

De relativiteitsleer op nieuwe koers: met Duwbak Linda op de schroothoop en de Correctie-Langemeijer als baken

Vrijdag 4 november 2016

De relativiteitsleer heeft de laatste jaren in het aansprakelijkheidsrecht een sterke ontwikkeling doorgemaakt die nog te weinig de aandacht getrokken heeft. Het arrest Duwbak Linda (2004) is niet langer het standaardarrest, na jurisprudentie van de Hoge Raad van 2007, 2010 en 2014. ‘Doel en strekking’ van een wettelijk norm worden niet langer uitsluitend aan de hand van wetsgeschiedenis en grammaticale uitleg vastgesteld, maar door middel van normatieve uitleg: de betekenis van de norm in de juridische en maatschappelijke context. De ‘Correctie-Langemeijer’ (1958) is daarmee niet langer een correctie op een dogmatisch en verstard leerstuk, maar een dynamisch onderdeel ervan geworden. Als er ‘rechtspolitiek’ wordt bedreven – een bekend verwijt aan de Hoge Raad – is dat nu eenmaal inherent aan wetsuitleg door de rechter. Hetgeen kan leiden tot goede, of tot slechte resultaten van rechtspolitiek, en daarover zou de discussie eigenlijk moeten gaan.

Aan dit thema, ontleend aan een artikel van J.M van Dunné in TGMA 2016-1, is dit symposium gewijd. Daarbij wordt ook het bestuursrecht betrokken: na invoering van het relativiteitsvereiste in 2010/2011, werd door de Afdeling bestuursrechtspraak RvSt onlangs de Correctie-Langemeijer bij de toepassing van het relativiteitsvereiste (art. 8:69a Awb) aanvaard, in de Praxis-zaak van 16 maart 2016. Al eerder ging de bestuursrechter vrij soepel met het vereiste om, vergelijkbaar met de recente rechtspraak van de Hoge Raad.

Uitleg van overeenkomsten naar common law en civil law of: De opmars van Good faith in het Engelse contractenrecht

Eerste bijeenkomst van de Studiekring Normatieve Uitleg

Datum: Vrijdag 26 juni 2015, van 13.15 uur tot 17.00 uur
Locatie:
 Conway & Partners, Otto Reuchlinweg 1132, 3072 MD Rotterdam (naast Hotel NY).

Materiaal
Hieronder treft men de bijdragen van de verschillende sprekers op de workshop op 26 juni. Sommige in de vorm van een Ppt, andere in de vorm van een artikel. De bijdrage van Rieme-Jan Tjittes zal verschijnen in RMThemis en de bijdrage van Jurriaan Kien is aangeboden aan het NJB. Het opstel ‘Good faith in UK law’ van Jan van Dunné betreft een verkorte versie van zijn artikel in de Construction Law Journal (zie voor een link bij ‘achtergrondmateriaal’). Verder treft men achtergrondmateriaal, deels na de workshop getipt door deelnemers.

[/fusion_builder_container]